Een theoloog die promoveert op schoonmakers en hun werk. Voor Jorcho van Vlijmen is het een bewuste keus geweest. Met zijn proefschrift wil hij graag een maatschappelijke dialoog starten over de onzichtbaarheid van de tienduizenden schoonmakers in Nederland. Jan Kampherbeek, onderhandelaar bij CNV Vakmensen, hoopt dat het proefschrift een bijdrage levert aan een gesprek over de rol van schoonmakers in onze samenleving.

“De mannen en vrouwen die dagelijks onze werkplekken, scholen, ziekenhuizen, vakantieparken en hotelkamers schoonmaken, vallen ons vooral op wanneer ze hun werk niet goed doen. Ze verschijnen dan in de kruimels die op ons bureau liggen, in de stofvlokken onder de radiator of in een koffiekring op tafel. Deze voorbeelden van vuil, die er eigenlijk niet mogen zijn, maken de schoonmaker tijdelijk zichtbaar”, stelt Van Vlijmen vast in de inleiding van zijn proefschrift.

‘Onderzoek gaat vrijwel nooit over schoonmakers zelf’

Een aantal jaren werkte hij aan zijn proefschrift ‘Ik zie, ik zie, wat jij niet ziet’. Hij volgde een schoonmaak-opleiding en sprak uitgebreid met 24 schoonmakers. “Het is bijzonder hoe weinig onderzoek er naar de schoonmaak is gedaan. En de onderzoeken die er zijn, gaan vooral over efficiency en bedrijfsvoering. Het gaat vrijwel nooit over de schoonmakers zelf.”

Uit de interviews kwam een schrijnend beeld naar voren van de situatie waar schoonmakers in zitten. “Voor henzelf is schoonmaken echt een vak. Ze willen het zo goed mogelijk doen en halen daar voldoening uit. Maar voor de mensen voor wie ze werken, zijn ze onzichtbaar. Soms letterlijk, als schoonmakers niet worden gezien en niet worden gegroet. Vaak ook figuurlijk: ze krijgen niet de erkenning en waardering voor hun werk. Het schoonmaakwerk wordt gezien als ‘dirty work’, minderwaardig werk, dat iemand moet doen.”

‘Niet gezien worden’

Van Vlijmen constateert in zijn proefschrift dat schoonmakers het ‘niet gezien worden’ vervolgens ook op zichzelf betrekken. “Ze beseffen dat anderen op hen neerkijken en afstand houden. Dat is pijnlijk. Het geeft veel schoonmakers een gevoel van minderwaardigheid. Ze hebben last van een stigma: schoonmakers worden gezien als mensen die hun kansen niet hebben benut en gegrepen. Als straf moeten ze dan maar schoonmaakwerk doen, want iets anders kunnen ze niet.”

In zijn proefschrift legt hij – vanuit zijn theologische achtergrond – een link met het Bijbelse paradijsverhaal. “Schoonmakers werken voor een modern paradijs, maar zijn er zelf niet welkom.” Hij noemt een bizar voorbeeld uit een van zijn interviews. “Een schoonmaker die bij een apotheek werkte, vertelde me hoe alle collega’s met Sinterklaas een letter mee naar huis kregen. Zij kreeg niks. Na het weekend lagen er nog een paar. ‘Gooi die maar weg’, zeiden ze tegen haar. Niemand dacht eraan om de schoonmaker ook mee te laten delen.”

Gezicht

Met zijn proefschrift wil Van Vlijmen de onzichtbare schoonmakers een gezicht geven. “Mens-zijn betekent oog hebben voor de ander, die voor ons zorgt en die zelf ook onze zorg verdient.” Hij doet een aantal aanbevelingen:
– Meer onderzoek naar de ervaring van de schoonmaker en de effecten van onzichtbaarheid.
– Onderzoek naar de Rijksschoonmaakorganisatie (RSO), waarbij het gaat om de vraag of schoonmakers meer het gevoel hebben erbij te horen en gelukkiger zijn als zij op papier ook collega’s zijn.
– Meer aandacht in hbo-opleidingen facility management voor de schoonmakers; schoonmaak wordt nu te veel gezien als dienstverlening, waarbij het vooral draait om inkoop, beheer en controle van schoonmaakdiensten.

Jan Kampherbeek: ‘Een boeiend proefschrift’

“Een boeiend proefschrift. Ik hoop dat het een bijdrage levert aan een gesprek over de rol van schoonmakers in onze samenleving. Het zou goed zijn als meer mensen oog voor hen krijgen en voor het werk dat zij doen.” Jan Kampherbeek, onderhandelaar bij CNV Vakmensen, is enthousiast over het proefschrift ‘Ik zie, ik zie, wat jij niet ziet.’

Kampherbeek maakt in de praktijk maar al te vaak mee dat schoonmakers niet gezien en gewaardeerd worden. “Er wordt makkelijker over de schoonmakers gepraat dan met de schoonmakers. Als ze langskomen met een stofzuiger, wordt dat als storend ervaren. Terwijl zij gewoon hun werk moeten doen, ook in gebouwen waar mensen werken. Waarom stoort een schoonmaakster die haar werk doet wel en een collega die een praatje komt maken niet?”

Belangen van schoonmakers

Bij de belangen van schoonmakers wordt niet stilgestaan, merkt hij. “Laatst sprak ik een schoonmaker die op het perron aan het werk was, toen iemand voor de trein sprong. Een traumatische gebeurtenis. Voor al het NS-personeel is in zo’n situatie meteen slachtofferhulp beschikbaar – heel goed natuurlijk. Maar aan de schoonmaker, die uiteindelijk grote psychische problemen kreeg, dacht niemand. Waarom niet? Dat is een goede vraag – precies het soort vragen waar het proefschrift de vinger op legt. Dit zet hopelijk veel mensen aan het denken over de rol van schoonmakers. En het gebrek aan erkenning van en waardering voor hen en voor hun werk.”